Heijden, Leopold Maurits (Leo) van der

Leo van der Heijden

Geboren te Leeuwarden op 8 februari 1911 als zoon van Michiel Salomon van der Heijden (Oisterwijk 7 augustus 1875-Leeuwarden 14 september 1940) en Serliena van Esso (Meppel 11 mei 1884). Hij huwde met Anna Zwarenstein (Rotterdam 13 maart 1914). De van oorsprong Oisterwijkse familie Van der Heijden was in 1879 naar Winschoten vertrokken, waar grootvader Isaak van der Heijden (gehuwd met Betje van Huiden) een grossierderij in leer (en later in schoenen) begon, met zijn zwager Mozes van Huiden (Van Huiden-van der Heijden 1883, Mozes van Huiden overleed in 1921) met filialen in Groningen en Leeuwarden (1896), dat de voorloper werd van een schoenfabriek. In 1910-1911 startte de vader van Leo met zijn broer Maurits Machiel, beide werkzaam in de lederhandel, een zoolleerlooierij in Leeuwarden, waarvoor personeel werd aangetrokken uit Midden-Brabant. Het lukte wel om vakmensen naar Leeuwarden te halen, maar aarden konden de Brabanders en hun vrouwen in het Friese maar moeilijk. Leo van der Heijden doorliep de Rijksvakschool, evenals veel zonen van joodse schoenfabrikanten, hij volgde de cursus machinale schoenmakerij bovenwerk (1930-1932). Leo volgde in de jaren dertig zijn vader als directeur op. Datzelfde gold voor de zoon van Maurits Machiel: Isidore (Dorus) van der Heijden. De neven Isidore en Leopold togen naar Brabant om een nieuwe vestigingsplaats uit te kiezen. In Dongen was wel ruimte, maar Leo vond dat hij dat zijn toekomstige vrouw (Anna Zwarenstein, 13 maart 1914) zo'n boerendorp niet kon aandoen. Maar belangrijker zal de grootte van het Oisterwijkse perceel zijn geweest, dat uitbreidingen mogelijk mkaakte. En dus werd het in 1938 Oisterwijk, waar de fabriek van de Van der Heijdens (Vedeha) introk in een leegstaand bedrijfspand aan de Gemullehoekenweg, waarvan de eigenaar een lederfabrikant uit Eindhoven was. Het bedrijf was enige tijd nog in bedrijf geweest als grammofoonfabriekje (Tempofoon). Met de complete inventaris van de fabriek verhuisde men naar Oisterwijk. Het kaderpersoneel ging mee: o.a. procuratiehouder D. Lammertsma en chef H. van der Molen. In Oisterwijk trad de Duitse jood Walter Russ in dienst, een goed vakman. In totaal werkten er in 1938 40 mensen die eerste gepende bottines vervaardigden en later het betere genre herenschoenen. Leo en Anna woonden in Oisterwijk in de Burg. Canterslaan, het Klompven, de Gemullehoekenweg en in de oorlog weer in de Burg. Canterslaan. Op 3 september 1942 deelde de Duitse Verwalter van de schoenfabriek Vedeha aan gemeenteveldwachter P. Berkers mede dat de twee joodse directeuren Van der Heijden al enige dagen niet meer op de fabriek waren verschenen. De Sicherheitspolizei ging op onderzoek uit en constateerde dat beiden met hun gezin gevlucht waren. In de woning van Leopold van der Heijden werden nog de van de kleding afgescheurde jodensterren gevonden. Leo en zijn vrouw waren ondergedoken in Tilburg, Dorus en zijn vrouw bij de dames Snellen in Haaren, die daar een manufactuurwinkeltje dreven. Maar na een jaar bleek dat Dorus en Annie niet langer ongemerkt in Haaren konden blijven, in augustus 1943 doken ze onder op diverse adressen in Amsterdam. Na de oorlog kwamen de beide gezinnen Van der Heijdens weer terug in Oisterwijk, waar de schoenfabriek Vedeha werd voortgezet. Rond 1960 zijn de neven Dorus en Leo uit elkaar gegaan omdat men het zakelijk niet meer eens was. De fabriek van Leo van der Heijden telde in 1960 125 werknemers en produceerde toen 3000 paar schoenen per week, waarvan 20% bestemd voor de export (BelgiŽ, Luxemburg, Canada, Noorwegen, Zweden en Engeland). Zelfs de sjah van PerziŽ droeg sandalen van de Vedeha. Leo van der Heijden was in de jaren zestig voorzitter van de schoenfabrikantenvereniging Oisterwijk-Moergestel.

Literatuur: Ad van den Oord, Vervolgd en vergeten. Duitse en Nederlandse joden in Oisterwijk 1933-1945 (Oisterwijk 1998).