Marsé, C.H.J. (Cees)

Cees Marsé

Geboren op 12 augustus 1952 te Moergestel als zoon van beroepschauffeur Bernardus Johannes Andreas Marsé (Moergestel 29 november 1919) en Huberdina Lapien (Oisterwijk 29 april 1920), afkomstig uit een schoenmakersfamilie. Hij huwde met Gemma Copal, het stel woonde aanvankelijk in de ouderlijke woning van Cees. Vervolgens huwde hij met Jeanne Brekelmans, met wie hij vier zonen kreeg: Corné, Machiel en de tweeling Melvin en Maurice. Het gezin woonde jarenlang aan de Spreeuwenburgerweg. Soms had het gezin ook nog pleegkinderen in huis. Na de scheiding kreeg Cees een relatie met Chantalle Goossens en woonde hij in Tilburg. Enkele jaren voor zijn overlijden huwde hij met Wilma Versteijnen en kocht hij een woning in Oisterwijk (Terburghtweg 167). Cees was amper één jaar oud toen zich in de nacht van 7 op 8 oktober 1953 een familiedrama voltrok. Zijn vader kwam na cafébezoek rond middernacht thuis in de woning aan het Rootven. Hij sloeg zijn vrouw, die aan tafel zat te lezen, met een bijl op haar hoofd en sleepte de bewusteloze vrouw naar de divan, waar hij haar besprenkelde met benzine. Vervolgens probeerde hij brand te stichten in de keuken en vertrok. Dit alles terwijl op de bovenverdieping behalve Cees zijn vijf jaar oudere broer en vier jaar oudere zus sliepen in op slot gedraaide slaapkamers. De moeder kwam echter spoedig weer bij kennis en sloeg alarm, waardoor de beginnende brand kon worden geblust en de kinderen gered. Vader kwam een half uur na het gebeuren bij de woning terug en werd direct gearresteerd door de politie. Hij reisde als buschauffeur voor een touringcarbedrijf in die tijd veelvuldig naar verre buitenlandse bestemmingen, hetgeen volgens de krantenberichten uit die dagen tot frictie in de relatie zou hebben geleid. Vader Marsé werd door de Arrondissementsrechtbank in Breda op 14 april 1954 veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar. Moeder Marsé en haar drie kleine kinderen trokken in bij oma Lapien aan het Burg. Keyzerplein in Oisterwijk. Moeder Marsé had zich al tijdens het proces vergevingsgezind getoond ten opzichte van haar man, die na zijn vrijlating dan ook gewoon’ terugkeerde in het gezin. De familie ging wonen aan de Mgr. Poelsstraat 6. Het drama werd verzwegen. Cees had daar wel last van in zijn puberteit, toen verkeringen met meisjes soms op voor hem onverklaarbare wijze beëindigd werden. Hij verbrak het zwijgen over het familiedrama korte tijd voor zijn overlijden in een uitzending van Oisterwijk in Beeld. Cees zat op de Aloysiusschool (lagere school) en volgde vervolgens de Mulo en daarna de HAVO. Hij werkte als fabrieksarbeider en op kantoor, en volgde middenjaren zeventig van de vorige eeuw in Tilburg een opleiding ‘sociale arbeid’. In die periode was hij ook actief in jongerenorganisatie Trappaf, waarvan hij secretaris werd en voorzitter van de afdeling carnaval. In 1974 was hij kandidaat bij de gemeenteraadsverkiezingen voor de PvdA. Hij stond op de vierde plaats, maar de partij behaalde drie zetels. Wel zat hij voor die partij enige tijd in de raadscommissie Milieu. Raadslid Ber de Laat was voor Cees meer dan enkel een politiek mentor. Cees was echter te veel een vrijbuiter om in hiërarchische partijen te kunnen werken. In 1996 stond hij nog een keer als ‘lijstduwer’ op de lijst van GroenLinks. Cees ging werken in het sterk opkomende jeugdwerk. Hij was jongerenwerker bij de Oisterwijkse Stichting Jeugd Welzijn (SJW) en namens die stichting verantwoordelijk voor het jongerencentrum No. 90. Hij begeleidde vele Oisterwijkse jongeren, ook naar werkervaring, bijvoorbeeld via de stichting Blok (januari 1983), die in 1984 het boek Oorlog in Oisterwijk uitgaf. Met boekhandelaar Koos Olijerhoek en dichter Cees van Raak was hij het gezicht van de Oisterwijkse poëzienachten in jongerencentrum No. 90, in theater De Schelleboom en in De Kunstkring. Vanaf april 1997 was hij beheerder van het kamphuis van de Rotterdamse instelling voor jeugdzorg en onderwijs Horizon, dat kamphuis bevond zich in de bossen nabij de woning van de familie Verviers vlakbij de Achterste Stroom. Cees stond aan de wieg van het Oisterwijkse Kringloopbedrijf en in de jaren negentig van de vorige eeuw was hij tevens correspondent bij het Brabants Dagblad. Zijn laatste job was bij de stichting Prisma, waar hij met gehandicapten werkte op de locatie ‘Landpark Assisië’ te Biezenmortel. Aan deze werkzaamheden, die hij tot ongeveer een jaar voor zijn overlijden verrichtte, heeft hij de meest dierbare gevoelens. Naast zijn reguliere werkzaamheden was Cees vanaf 1988-1989 pachter van het Natuurtheater en uitbater van de blokhut (café De Rode Lelie). Daar gingen vele uren inzitten, maar financieel bleef het een bijbaantje. Cees deed de dingen die hij graag wilde doen of waarvan hij vond dat ze goed waren om te doen. Als het mislukte probeerde hij het gewoon nog een keer. En als het dan nog niet lukte, dan kon hij dat ook accepteren. Wandelaars in de Oisterwijkse bossen kenden Cees ook als het IJsheertje met zijn ijscokar, waarin ook zijn zonen participeerden. Vrijbuiter Marsé was in het Natuurtheater precies op zijn plek. Verscholen in de bossen kon je daar zonder dat een baas, ambtenaar of bureaucraat je al te veel op de lippen zat redelijk je gang gaan. Zijn collega-vrijbuiter Berrie Kardol dreef er een paardenstoeterij en diverse poppenspelers konden er gebruik maken van De Witte Lelie. Met theatergroep Trappaf had Cees een haat-liefdeverhouding. Vanaf 1989 waren ze welkom om hun stukken te spelen in het Natuurtheater. Om de entreeprijs betaalbaar te houden streepte hij zelfs de huurprijs weg. Maar later ging hij zich veel zakelijker opstellen, hetgeen leidde tot conflicten. Ook met de eigenaar van het Natuurtheater, de gemeente Oisterwijk, kwam er onenigheid. Slepend was de kwestie van de renovatie van het Natuurtheater met wethouder Lambert van den Bosch. Soms leek het een strijd van Cees tegen ‘de wereld’. Maar in 2010 lag er dan toch een overeenkomst tussen Marsé, de gemeente Oisterwijk en de bespelers van het theater (Trappaf en VOS) op tafel. Met zijn jeugdliefde Trappaf kwam het ook goed, zodat ze samen hun 25-jarig jubileum konden vieren in het Natuurtheater. Zijn zonen Melvin en Maurice namen het beheer van het Natuurtheater over toen duidelijk werd dat Cees ongeneeslijk ziek was. Hij had uitgezaaide darmkanker. Cees probeerde ondanks dat om positief in het leven te blijven staan. Hij verkocht zijn boekencollectie om daarvan een speeltoestel voor de kinderen bij De Rode Lelie te kunnen aanschaffen. Rondom zijn boscafé probeerde hij de ‘rode droom’ van de socialistische beweging, waar hij in zijn jonge jaren actief in was geweest, op zijn geheel eigen wijze te realiseren. Cees Marsé overleed op 12 januari 2015 te Oisterwijk. Met een zoon die werkt in het jongerenwerk, een zoon die zingt en gedichten schrijft en een tweeling die het Natuurtheater beheert, treden zijn kinderen elk op hun eigen wijze in het voetspoor van hun vader.