Stakenburg, Joan Thijo

Joan Stakenburg geschilderd door Carel Willink

Geboren op 17 juni 1917 te Amsterdam, als zoon van commissionair in effecten Johannes Theodorus Stakenburg (Amsterdam 19 oktober 1869-24 december 1939) en Johanna Jacoba Ploegmakers (Oss 5 april 1895-Tilburg 20 november 1985). Zijn vader was al eerder gehuwd, maar dat eerste huwelijk was in 1905 ontbonden. Het burgerlijk huwelijk met Ploegmakers werd pas op 6 april 1923 te Amsterdam gesloten. Joan Thijo huwde in 1947 met Maria Jacoba Johanna Karthaus (Djokjakarta 1916), dochter van een koloniaal suikerfabrikant, met wie hij zeven kinderen kreeg. Na zijn gymnasiumopleiding en een staatsexamen in juli 1934 ging hij naar de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij had het liefst Nederlandse taal en letteren gestudeerd, maar zijn vader dwong zijn enig kind min of meer om een rechtenstudie te volgen. Volgens vader gaf rechten meer prestige. In januari 1936 behaalde hij zijn kandidaats. Nadat hij begin 1939 meester in de rechten was geworden, werkte Joan korte tijd op een advocatenkantoor als curator bij faillissementen. Na de dood van zijn vader kon hij het zich permitteren om van het familiekapitaal te leven. Het leven van Stakenburg kent verschillende aspecten. Hij was in de oorlog naaste medewerker van de katholiek-fascist Arnold Meijer, aan wiens noodlijdende Nationaal Front hij in 1940 of 1941 20000 gulden had geschonken. Tot begin september 1940 was hij afdelingsleider van Nationaal Front in Amsterdam. Hij werd op 16 oktober 1940 benoemd tot adjudant van Meijer ‘voor dagelijkse diensten’. In 1941 publiceerde Stakenburg een notitie over ‘jodium en joden’ en was hij enkele maanden (januari-maart) secretaris van de Raad van Recht en Orde van Nationaal Front. In mei 1941 legde hij namens Nationaal Front een krans bij het soldatengraf op de Amsterdamse Nieuwe Oosterbegraafplaats. In 1942 werd Stakenburg geïnterneerd in kamp Haaren van de Sicherheitspolizei. Na het overlijden van Arnold Meijer kwam het persoonlijk archief van Meijer en zijn politieke organisaties Zwart en Nationaal Front in beheer en eigendom van Stakenburg. Eind 1970 werd hij bereid gevonden het archief af te dragen aan het Rijksarchief in Noord-Brabant. Maar daarnaast was Stakenburg vooral bekend als mecenas van diverse kunstenaars. Zo liet hij zich in 1941 door de schilder Carel Willink portretteren. Willink (1900-1983) had het in 1941 financieel heel moeilijk en hij kon het geld dat Stakenburg hem voor het portret gaf, heel goed gebruiken. Stakenburgs moeder stelde in een interview in 1985: ‘De Willinks hadden het echt arm in die oorlogstijd. We nodigden hen vaak uit om te komen eten in de club (Zij bedoelt ‘De Kring’ in Amsterdam waar kunstenaars bij elkaar kwamen, red.) Dat was heel gezellig. Echt om Willink aan geld te helpen, heeft Johan zich laten schilderen. Ik vond het meteen een heel goed portret, echt zoals hij is: open, eerlijk en recht door zee’. In ‘de Kring’ waar zijn moeder over repte, ontmoette Joan Stakenburg ook schrijvers als Victor van Vriesland, J.C. Bloem, Ed Hoornik, Bertus Aafjes en vooral de door hem zo bewonderde Gerrit Achterberg. Vaker moet het gebeurd zijn dat Stakenburg het drinken voor zijn arme schrijversvrienden betaalde. Gerrit Achterberg herinnerde zich: 'Dit kereltje, dat als curiositeit handschriften verzamelt en een soort jurist is, had als eenige goede eigenschap dat hij onze biertjes enz. betaalde’. Stakenburg had Gerrit Achterberg en Gerard den Brabander financieel gesteund door hun handschriften aan te kopen. De verschenen complete uitgave van het werk van dichter Gerrit Achterberg (1905-1962) is te danken aan de mecenas Joan Stakenburg. Stakenburg steunde ook Hoornik, zo blijkt uit brieven van Hoornik aan Stakenburg van 22 en 23 september en 11 november 1941, waarin Hoornik verzocht om een lening. Hoornik zou de laatste twee weken van 1942 bij Stakenburg in Bilthoven logeren, waar Stakenburg blijkbaar een tweede huis had. Een groot gebaar maakte Stakenburg op 27 mei 1946. Op die dag werd aan Gerrit Achterberg de Pinksterprijs voor poëzie toegekend. Het geldbedrag dat aan die prijs verbonden was (duizend gulden) werd door Joan Stakenburg beschikbaar gesteld. Als tegenprestatie gaf de dichter aan Stakenburg een nethandschrift van zijn bundel ‘Radar’. Toen Stakenburg daarvoor per brief bedankte, vroeg hij aan Achterberg of de dichter misschien ook een aantal oorspronkelijke kladjes had waarop het vers ontstond. Achterberg ging daar positief op in en zo werd de basis gelegd voor de collectie Stakenburg. De belangstelling van Stakenburg heeft Achterberg ertoe aangezet vanaf 1946 de kladhandschriften van zijn gedichten te bewaren. De collectie Stakenburg bevat het ontstaansmateriaal van een groot aantal gedichten uit de vanaf 1949 verschenen bundels: ‘Sneeuwwitje’, ‘Mascotte’, ‘Cenotaaf’, ‘Ode aan Den Haag ‘, ‘Ballade van de gasfitter’, ‘Autodroom’, ‘Spel van de wilde jacht’ en ‘Vergeetboek ‘. Het is niet bekend wat Achterberg kreeg voor de honderden kladhandschriften die hij aan Stakenburg ter beschikking stelde. Wel weten we dat de dichter in 1958 van de opbrengst een garage kon laten bouwen voor zijn Volkswagen. Het Nederlands Letterkundig Museum kon in 1990 de collectie Stakenburg aankopen. Het is bijna onvermijdelijk dat iemand die in de ban is van gedichten en dichters ook zelf aan het dichten slaat. Zo ook Joan Stakenburg. Er zijn verschillende bundels van hem gepubliceerd, zoals ‘Bij Tussenpozen’ (1957), ‘Queesten’ (1965), ‘Verre Orfeus’ (1966) en ‘Een gouden Libanon’ (1977). Aanvankelijk verschenen zijn bundels onder de schrijversnaam Aart van Vierland. Later ging hij zijn eigen naam gebruiken. Rond 1960 was Stakenburg in aanraking gekomen met het werk van K.F. Dürckheim, van wie hij ook boeken vertaald heeft, zoals ‘De cultuur van de stilte’. Dürckheim heeft het Japanse zenboeddhisme in het westen geïntroduceerd. Dat heeft op Stakenburg grote invloed gehad. Joan Stakenburg heeft zich in verschillende van zijn gedichten laten inspireren door de schoonheid van de natuur in Midden-Brabant, zoals in de in 1973 verschenen bundel ‘Smaragdgroen mos’. In de jaren zeventig was hij lid van het poëtische genootschap 'De Blauwe Bloem', waar ook de Oisterwijkse Elisabeth Moebs-Bayer deel van uit maakte. Stakenburg woonde sinds 1953 met zijn gezin in Oisterwijk aan het Klompven, Ook zijn moeder woonde daar. in 1976 verhuisde het gezin naar de Kivitslaan 9. Stakenburg overleed in de vroege ochtend van 15 april 1980 aan kanker. Hij werd op 17 april begraven op het Joanneskerkhof. Op zijn grafsteen staat: ‘Waar ’t donker ’t diepst lijkt, verwachte men groot licht’.

Literatuur: Piet Jacobs, ‘Achterberg compleet dankzij collectie Stakenburg’, Nieuwsklok, 9 augustus 2000; Jan Vriens, Inventaris van de archieven van Zwart Front, Nationaal Front, Arnold Mijer en Alfred Haighton (Den Bosch 1977); Ed. Hoornik, Geld verdienen zal ik er nooit aan. Briefwisseling Ed. Hoornik en A.A.M. Stols, 1938-1954 (Den Haag 1999); Wim Hazeu, Gerrit Achterberg. Een biografie (Amsterdam 1988).