Vürtheim, Julius Johannes

Geboren op 11 november 1842 te Utrecht als zoon van de bekende steendrukker en lithograaf Joseph Vürtheim (Kleef 1808-circa 1900) en Elise Johanna Vos (Amsterdam circa 1811). Hij huwde te Rotterdam op 6 december 1865 met Johanna Adolphina Nieuwkamp (Tiel 29 augustus 1844-Den Haag 29 november 1927), dochter van de directeur van een Rotterdamse suikerraffinaderij, met wie hij tenminste zes kinderen kreeg. Vader Joseph Vürtheim had zijn kennis in de grafische vormgeving opgedaan als leerling van de bekende Alois Senefelder, die in 1798 de lithografie had uitgevonden. Nadat hij volleerd was, wilde vader Vürtheim emigreren naar de Verenigde Staten, maar kwam niet verder dan Amsterdam, waar hij ernstig ziek werd. Na zijn herstel besloot vader Vürtheim zich als lithograaf in Amsterdam te vestigen. Hij genoot bekendheid als postzegelontwerper en vormgever voor de Nederlandse bankbiljetten van 1862. Vanaf zijn zestiende werkte Julius Johannes Vürtheim enige jaren in handelskantoren te Londen. In 1867 werd hij firmant in de steendrukkerij J. Vürtheim en Zn. in Rotterdam, die in 1900 het predikaat koninklijk kreeg. De uitbundige rand van de inhuldigingspostzegel (‘Kroningszegel’)van koningin Wilhelmina was in 1898 ontworpen door vader Vürtheim. Julius werd financieel adviseur bij de Spoorwegen. Hij was van 1901 tot 1903 raadslid in Schiedam, waar hij ook in 1901 een Schiedamsche Tramweg Maatschappij had opgericht. Vanwege zijn aanleg van de eerste tramlijn in die stad boden B&W hem op 17 september 1902 een theeservies aan vervaardigd door de Koninklijke Porselijn- en Aardewerkfabriek 'Rozenburg' in Den Haag. Het servies vertegenwoordigde in 1996 een waarde van 62.500 gulden en werd aangekocht door het Stedelijk Museum Schiedam. Julius Vürtheim was in 1908 een van de initiatiefnemers tot een VVV in Oisterwijk. Ontwierp met M.G. Canters in 1911 plannen voor een tramlijn Den Bosch-Tilburg over de Heukelomseweg, maar in 1916 constateerde de commissaris der Koningin dat het tweetal geen geld kon vinden. Hij stond in Oisterwijk bekend als ‘crypto-katholiek’ (protestanten, meestal ambtenaren, die zich in het zuiden in het geheim tot het katholicisme bekeerden). Hij woonde in het buitenverblijf Rustoord (1915 telefoonaansluiting), in 1874 door G.D. Perk gebouwd. De boeren van Kerkhoven noemden hem ‘het heerke’. Hij was een persoonlijk vriend van kapelaan Huijbers. In 1917 werd hij lid van de Raad van Bijstand van de RK Kunstkring. Bouwde in 1925 een landhuis op de grens Berkel-Oisterwijk (C30, Moergestelseweg). Verkocht het landgoed Rustoord in 1927 aan de Zusters van Barmhartigheid. Hij was Ridder in de Orde van Oranje-Nassau en commandeur in de orde van de Leeuw en de Zon van Perzië. Hij stierf op hoge leeftijd te Berkel-Enschot op 18 februari 1932. Hij werd op 23 februari begraven op het kerkhof van de St. Petrus Banden te Oisterwijk. Bij zijn dood was hij gedelegeerd commissaris NV Kon. Ned. Drukkerij v/h J. Vürtheim en Zn. te Rotterdam. In de jaren na zijn dood (1932-1936) vond nog een juridische strijd plaats om zijn nalatenschap. Zijn zoon Julius Johannes Gerardus (Rotterdam 8 februari 1869-Leiden 6 juli 1928) was rector van het Gymnasium Erasmianum te Rotterdam (1910-1914), hellenist, literator en hoogleraar Griekse taal en letterkunde in Leiden (1914-1928).