Wolterbeek, Claude Jacob

Geboren te Nieuwer-Amstel op 13 maart 1889 als zoon van koopman Johan Frederik Wolterbeek (Amsterdam 23 september 1845-Oegstgeest 4 oktober 1927) en de uit Denemarken afkomstige Vibeke Frederikke Leth (Aalborg/Herning 14 september 1857-Oegstgeest/Leiden 14 oktober 1939). Zijn opa dr. Claude Jacob Wolterbeek (Amsterdam 17 oktober 1808-4 maart 1847) was een bekend medicus. Claude Jacob Wolterbeek huwde met Johanna Berendina Louisa Rexwinkel (3 maart 1883). Zijn ouders woonden al vanaf 1 januari 1890 aan de Herengracht 22 in Leiden en vestigden zich later in Oegstgeest. C.J. Wolterbeek kwam in het najaar van 1908 wederom in Leiden wonen (Nieuwe Rijn 96), waarschijnlijk als student. Op 24 december 1910 vertrok hij met de SS Grotius van Amsterdam naar Batavia. Na zijn huwelijk en een verblijf in Nederlandsch-Indië (in oktober 1927 woonde hij op Deli, in 1932-1933 Medan -Gloegoerweg 134-, mogelijk werkte hij er voor de Deli-(tabak)maatschappij) keerde hij in de jaren dertig naar Nederland terug en nam aan de Scheibaan te Oisterwijk een kindervakantieoord genaamd Roezemoes over van zijn zwager George D. Perk jr. C.J. Wolterbeek vervulde al in 1937 regionale functies binnen de NSB (lid Gewestelijke Raad van Discipline Eindhoven op 12 maart 1937) en werd kringleider van de NSB. Een zoon van hem, Johan Frederik Claude (Den Haag 19 september 1912-Trabki Polen 20 februari 1945), in juni 1944 uit Oisterwijk vertrokken naar Bussum, vocht als SS'er (Untersturmführer) tegen de Russen en sneuvelde daarbij. De verzetsmannen Boy Ecury en ‘Otto’ M.H. Schmitz zouden in de oorlogsjaren nog een overval uitvoeren op Roezemoes. Nadat de telefoondraden waren doorgesneden door Boy viel een verzetsman, waardoor de bewoners van Roezemoes gealarmeerd werden. De volgende dag werd de overval herhaald en ging men er met 64 dekens vandoor. Claude Jacob Wolterbeek arresteerde met hulp van de SD joodse landgenoten en was in 1944 betrokken bij het verraden van verzetsman Wim Brugman. Brugman had Wolterbeek ontmoet bij boer Van Biljouw, die melk verkocht, en was een politieke discussie met Wolterbeek aangegaan. Wolterbeek heeft waarschijnlijk vervolgens de Duitsers ingelicht. Na Dolle Dinsdag ontvluchtte Wolterbeek Oisterwijk. Hij is in Groningen, waarschijnlijk door het verzet, doodgeschoten. Hij overleed op de bevrijdingsdag van Groningen: 17 april 1945. Op de overlijdensakte staat als beroep koopman vermeld. Zijn weduwe Johanna Rexwinkel werd na de oorlog geïnterneerd in een kamp en is daarna bij de familie Van Breda in Oisterwijk opgenomen. Mevrouw Van Breda was als hulp bij Roezemoes werkzaam geweest. Roezemoes kwam onder beheer van accountant Van Rij, namens het Nederlandsch Beheer Instituut. Er verbleven Oisterwijkers in het vakantieoord, die hun huizen hadden verloren na de ontploffing van de munitietrein in september 1944. De weduwe Wolterbeek verkocht het vakantieoord vervolgens aan de familie De Bes (15 juli 1948), die toen juist hun kledingzaken in Rotterdam verkocht hadden. De familie De Bes was in augustus 1940 al in Oisterwijk komen wonen en huurde er een leegstaand huis aan de Bremlaan, dat eigendom was van de familie Puts van de Renata-schoenfabriek. In 1946 keerde de familie De Bes terug naar Rotterdam, maar met het vaste plan in Oisterwijk zich te vestigen. Het vakantiepark werd na de verkoop in 1948 De Staalberg genoemd. De Staalberg verleende gastvrijheid aan repatrianten uit Indonesië, getroffenen van de watersnoodramp in Zeeland, aan Turkse gastarbeiders en Spaanse werknemers van Philips en vanaf 1990 aan asielzoekers.

Literatuur: Piet Jacobs, ‘Een halve eeuw De Staalberg’, Nieuwsklok, 15 juli 1998.