Schoenmakers, Johannes Adrianus Maria

JAM Schoenmakers

Geboren op 11 juli 1920 te Tilburg (Leonardstraat 11) als op één na oudste zoon van wollenstoffenfabrikant Alphonsus Franciscus Maria Schoenmakers (Tilburg 20 december 1891-Valkenswaard 25 maart 1969) en Henrica Maria Claesen (Tilburg 24 augustus 1894-Eindhoven 27 juli 1980). In 1922 vertrok het gezin naar Goirkestraat 77, waar zijn vader een huis had laten bouwen door architect J. van der Valk. Op 9 februari 1934 verruilde Johannes het ouderlijk huis voor het kleinseminarie Beekvliet te Sint-Michielsgestel. In oktober 1941 ontving hij op Allerheiligen van bisschop A.F. Diepen in het bisdom Den Bosch de ‘Tonsuur’ wijding (bedoeld als symbool van toewijding aan God en verzaking aan seksualiteit). Vervolgens kreeg hij in september 1943 van bisschop W. Mutsaerts de wijding voor exorcistaat (uitdrijven van de duivel) en acolythaat. In juli 1944 werd hij sub-diaken gewijd en in juli 1945 priester gewijd in de Sint-Jan, samen met o.a. jaargenoot Ton van Loon. Hij werd achtereenvolgens kapelaan te Aalst-Waalre (1945-1948), Druten (1949-1956) en Eindhoven Sint-Petrus (1957-1962). In Druten was hij in maart 1955 voorzitter van de afdeling van de Stille Omgang, maar tot ergernis van de Drutense pelgrims nam hij zelf niet deel aan de Stille Omgang. Hij werd op 23 augustus 1957 kapelaan in Eindhoven (Petrusparochie), waar hij op 25 januari 1958 zijn 12,5 jubileum als priester vierde. Rond 31 juli 1963 werd hij door bisschop Bekkers benoemd tot kapelaan in de Petrus Bandenkerk te Oisterwijk en tevens tot bouwpastoor van de Markusparochie in de nieuwe arbeidersbuurt Oisterwijk-West. Bouwpastoor Schoenmakers trok tijdelijk in het pand Beukendreef 84, terwijl ondertussen de Markuskerk gebouwd werd. Hij had zich in zijn beginjaren populair gemaakt onder de katholieke arbeiders omdat hij wethouder en vakbondsman Willem van der Aa tot kerkmeester had benoemd. De katholieke vakbeweging in Oisterwijk had de Markusparochie daarvoor nog ‘beloond’ met een gift van 500 gulden. De parochianen waren op 4 januari 1968 verrast toen op klaarlichte dag een rode Renault met daarin twee agenten de pastoor in zijn nieuwe pastoriewoning (Icarusplein 1) kwam ophalen. Het is opvallend dat het katholieke Nieuwsblad van het Zuiden zo openlijk over wat werd genoemd een ‘pijnlijke affaire’ durfde te schrijven. Het Oisterwijkse weekblad Kerkklokje zou er de handen niet aan te branden. Pater Witteveen werd door het bisdom benoemd tot tijdelijk vervanger van pastoor Schoenmakers. In overleg met Justitie had het bisdom Schoenmakers in afwachting van het proces ondergebracht in de trappistenabdij Zundert. Schoenmakers werd door Justitie aangeklaagd vanwege het overtreden van artikel 247 (ontuchtige handelingen met personen beneden de zestien jaar). Hij had in 1967 telkens weer ‘opzettelijk, oneerbaar en ontuchtig de ontblote mannelijkheid’ van tenminste zes misdienaars van rond de twaalf jaar ‘aangeraakt, vastgepakt, bevoeld en betast’. Een klacht van een misdienaar was aanvankelijk door de ouders niet geloofd, maar nieuw onderzoek bevestigde het vermoeden van seksueel misbruik. De rechtbank in Breda veroordeelde Schoenmakers op 20 mei 1968 tot vijf maanden gevangenisstraf waarvan drie voorwaardelijk. Voorts kreeg hij een proeftijd van drie jaar opgelegd. In die periode was hij verplicht zich te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van de katholieke reclasseringsvereniging én moest hij zich onder toezicht en behandeling stellen van een door die vereniging aangewezen psychiater. De gevangenisstraf moest hij doorbrengen in Esserheem (onderdeel van de PI Veenhuizen). Toen op 19 april 1968 pastoor Dumoulin werd benoemd tot pastoor van de Markuskerk meende deken Verheijen (tevens pastoor van de Petruskerk) de Markus-parochianen nog eens te moeten wijzen op ‘de verdienste van pastoor Schoenmakers, die veel goed werk heeft verricht in de parochie’. Verheijen memoreerde ook nog eens dat tegenwoordig de pastoor in de parochie als een ‘vriend’ beschouwd moet worden. De leiding van de katholieke kerk toonde toen weinig compassie met de slachtoffers. Op 9 april 1968 had Schoenmakers eervol (!) ontslag van bisschop Bluijssen gekregen. Schoenmakers werd na zijn detentie door bemiddeling van vicaris-generaal Van Laarhoven overgeplaatst naar het bisdom Groningen. Daar werd hij in september 1968 kapelaan te Sneek. Vervolgens werd hij in juni 1971 pastor in de Martinus-Jozef parochie van Groningen (de oude pastor daar werd tegelijkertijd benoemd tot pastor in Sneek). In mei 1976 was Schoenmakers weer gewoon pastoor, maar toen in de Franciscusparochie te Groningen. Schoenmakers overleed na een slopende ziekte op zaterdag 15 januari 1983, zijn uitvaart in de Franciscuskerk (Zaagmuldersweg) was op donderdag 21 januari en hij werd begraven op het RK kerkhof aan de Hereweg.