Spit, Gerrit Jan Antonius (Jan)Jan werd geboren op 4 januari 1913 te Oldenzaal als zoon van fabrieksarbeider Gerrit Jan Spit (Weerselo 20 maart 1879-Enschede 6 december 1965) en fabrieksarbeidster Johanna Maria Helthuis (Deurningen/Weerselo 31 juli 1881-Weerselo 28 oktober 1959). Hij huwde op 1 september 1945 te Boxtel met de onderwijzeres Gertrudes Adriana Josepha Maria (Gertrude, Truce of Truus) van der Meijden (Boxtel 4 maart 1919-overleden na 7 november 1972), met wie hij zes kinderen kreeg. Gertrude was de dochter van de voormalige Boxtelse gemeentesecretaris Thomas van der Meijden (1900-1935). Spit maakte door dit huwelijk een flinke opwaartse sociale en economische mobiliteit. Jan Spit was rond 1930 als volontair in de bouw gestart en werkte vanaf 1935 als opzichter in Twente. Vanaf januari 1943 was hij zelfstandig gevestigd bouw- en waterbouwkundige te Boxtel. Vanaf oktober 1944 kwam hij in dienst van de gemeente Oisterwijk als hoofd van de gemeentelijke dienst voor de wederopbouw en was hij in pension bij slager Van Oirschot. Na zijn huwelijk vestigde hij zich tijdelijk op Klompven D317 (nu:18). Ondertussen liet hij een door hemzelf ontworpen nieuwbouwwoning bouwen op Klompven 27. Als hoofd van de dienst voor de wederopbouw heeft hij in Oisterwijk een belangrijk stempel gedrukt, met name voor de bouw van 360 woningwetwoningen in Oost (tussen Boxtelsebaan en Terbughtweg en West (Prinsessenbuurt). In februari 1945 vroeg burgemeester Verwiel hem plaatsvervanger te worden van gemeentearchitect Bernard Vriens, die op 1 mei 1945 vanwege zijn leeftijd zijn taken neerlegde. Het impliceerde dat Spit dan ook waarnemend commandant van de brandweer en luchtbeschermingsdienst zou worden. Spit werd niet enkel waarnemer, maar ook daadwerkelijk de nieuwe gemeentearchitect. Die functie van gemeentearchitect maakte hem in de wederopbouwjaren tot spil in het web van de gemeente Oisterwijk. Hij werd directeur van Gemeentewerken, het Grondbedrijf, het Hypotheekbankbedrijf en het Woningbedrijf. Spit was overal in het dorp bij betrokken en kende het wereldje van de bouw als geen ander. Hij integreerde ook sociaal in de Oisterwijkse samenleving, zo werd hij voorzitter van de bijenvereniging Sint-Ambrosius en was hij de spil bij de verbouwing van de Oisterwijkse molen in 1953. Privé ging het hem niet voor de wind. Zijn dochtertje Hanneke stierf in 1950 op de leeftijd van twee jaren. Ook de uitoefening van zijn functie als directeur van Gemeentewerken bleek al ras geen succes. Hij slaagde er niet in de administratie van het alsmaar uitdijende Gemeentewerken op orde te krijgen en er gingen hardnekkige geruchten dat Spit zich persoonlijk eigendommen van de gemeente toe-eigende (o.a. hout en gebruik van de gemeentelijke jeep ten behoeve van zijn eigen in aanbouw zijnde huis). Bij de bouw van woningwetwoningen aan de Boxtelsebaan in 1950 keurde Spit in zijn eentje rekeningen van aannemers goed, die achteraf gezien te hoog waren. In 1957 greep de gemeenteraad in. Tijdens een geheime vergadering van de raad kwamen alle verhalen boven water door middel van een rapport van een ad hoc ingestelde commissie. Ook het college van B&W moest diep door het stof, want menig raadslid vroeg zich af waarom niemand toezicht had gehouden nadat Spit herhaaldelijk opdracht had gekregen de administratie te verbeteren en transparanter te maken. Bij Spits sollicitatie bleken de diploma’s nooit te zijn ingezien. De raad vond de feiten dermate ernstig dat zij een ontslag van Spit op basis van ‘oneerlijkheid’ overwoog. Maar daar werd vanaf gezien omdat Spit dan nergens elders meer aan de slag zou komen en het gezin extra zwaar geraakt zou worden. Daarom werd een ‘eervol ontslag’ voorgesteld op basis van ‘ongeschiktheid’. Spit kreeg echter de mogelijkheid zelf ontslag te nemen. Het voornemen van de raad om hem te ontslaan fungeerde dus als stok achter de deur. En dat werkte, Spit vroeg zelf om ontslag. Het Nieuwsblad van het Zuiden van 14 april 1957 opende met de kop ‘Raadszitting van 55 seconden’. De gemeenteraad besloot op vrijdag 12 april in die recordtijd het door Spit zelf aangevraagde ontslag per 1 augustus 1957 te verlenen. Zijn tijdelijke opvolger binnen Gemeentewerken was Janus van Velthuijsen. Maar de jongste ambtenaar op Gemeentewerken M. (Thijs) Bakkeren zou Spit opvolgen als directeur Gemeentewerken. In maart 1958 volgde W. van Roessel Spit op als brandweercommandant. Jan Spit kreeg vervolgens, na bemiddeling van burgemeester Van Hövell van Wezeveld en Westerflier, een baan bij de Provinciale Waterstaat, afdeling Beheer als technisch ambtenaar eerste klasse. In 1961 klom hij op tot technisch hoofdambtenaar. Hij voltooide in oktober 1965 een studie aan de Technische Hogeschool Delft, waardoor hij zich ir. Weg- en Waterbouwkunde mocht noemen. In 1966 was hij werkzaam voor de provincie bij de afdeling Grondverwerving als waterbouwkundige. Hij overleed te Sint-Michielsgestel op 7 november 1972, waar hij op 12 november op het kerkhof aldaar werd begraven. Literatuur: Regionaal Archief Tilburg, Archief Gemeentebestuur Oisterwijk 1922-1970, inv.nr. 735 (persoonsdossier G.J.A. Spit); Jan van Leest, 'De Oisterwijkse gemeente-architect', De Kleine Meijerij 76 (2025) 74-82. |